NTGent dramaturg Jeroen Versteele schreef in Etcetera 118 van september 2009 een recensie over Een voortdurend gesprek. De dialoog van de theaterdramaturg. van Bart Dieho, uitgeverij I.T.F.B., Amsterdam, 2009. Uitstekend discussiemateriaal!

"Wat is dat, dramaturgie?"

Het moet een van de meest voorkomende vragen zijn waarmee je vandaag als dramaturg wordt geconfronteerd. In een theatervoorstelling is de concrete bijdrage van de dramaturg misschien wel het meest onzichtbaar van alle artistieke medewerkers. Je kan wel spreken over 'de dramaturgie' van een voorstelling, in de zin van: "Welke interpretatie ligt er aan de grondslag van de enscenering?". Maar dit soort dramaturgie valt bezwaarlijk de verantwoordelijkheid te noemen van de dramaturg alleen; ook zonder de medewerking van een dramaturg bevat elke geslaagde voorstelling een heldere dramaturgie.





Het woord 'dramaturg' bevat een ondertoon van oubolligheid en laat soms een rare zweem van spot ontstaan, zeker in het huidige klimaat waarin de intellectuele waarde minder belangrijk wordt gevonden dan het entertainmentgehalte. De zin "Ik ben dramaturg." heeft vaak tot gevolg dat je fonkellichtjes in de ogen en een monkellachje rond de mond van je gesprekspartner kan zien; meestal hoor je vervolgens de vraag, hierboven geciteerd. Zelf beschrijf ik mijn activiteiten bij NTGent en Wunderbaum graag als die van een 'redacteur': iemand die bezig is met inhoudelijke keuzes op lange en korte termijn, vergelijkbaar met die van medewerkers aan televisieprogramma's of literaire uitgeverijen. Welk materiaal is boeiend om te ensceneren, hoe help je voor elk project een groep artistieke medewerkers samen te stellen die juist aanvoelt, hoe bewerk je het bronmateriaal tot stof waarmee die groep kan werken, hoe geef je feedback op repetities en hoe omkaderen en communiceer je de uiteindelijke voorstelling? Het zijn uiteenlopende vragen waarmee niet alleen theaterdramaturgen worden geconfronteerd, maar die ook gelden voor vergelijkbare functies in andere sectoren in de kunsten, media en daarbuiten.

Onlangs verscheen Een voortdurend gesprek, een boek van Bart Dieho (1948) dat de hedendaagse en historische theaterdramaturgie onder de loep neemt. Dieho is docent theaterdramaturgie aan de Universiteit Utrecht en werkte verschillende jaren aan dit boek, dat is gestoffeerd met tal van uitspraken van dramaturgen en theatermakers. Uit het hele boek, dat bestaat uit hoofdstukken die de vele profielen van de dramaturg en verschillende maakstrategieën beschrijven, spreekt vooral één duidelijke boodschap: dramaturgie is een organische bezigheid waarbij de dialoog – voortdurende interactie en wederzijdse beïnvloeding – centraal staat. Marianne van Kerckhoven, dramaturge bij het Kaaitheater en publiciste, leent in deze uitgave vaak haar woorden om haar vak te beschrijven en een lans te breken voor een flexibele, levende theaterdramaturgie. "Elke productie ontwerpt haar eigen methode.", is haar adagium. Mooi zijn ook haar uitspraken over de beperkingen van haar beroep, de frustraties en de eenzaamheid van de dramaturg ("hij/zij zit nergens echt in, hoort nergens echt bij"); ook al suggereren die een soort romantiek die minder interessant is dan de ambitie (en, volgens mij, ook de mogelijkheid) om wel degelijk deel uit te maken van de creatieve kern van een productie.





Een voortdurend gesprek is begeesterende, verhelderende leesstof voor iedereen die zich interesseert in de 'binnenkant' van een theatervoorstelling, van het artistieke maakproces. Het biedt inzicht in de intellectuele houding die je kan aannemen tegenover bronmateriaal, inhoudelijke invalshoeken en artistieke medewerkers. Het schetst de evolutie van het beroep van de theaterdramaturg, met bijzondere aandacht voor de Duitse dramaturgie en de baanbrekende rol die Gotthold Lessing speelde in de ontwikkeling van een moderne dramaturgie. Lessing doorbrak de gangbare dramaturgie die typerend was voor het Franse classicisme en propageerde een nieuwe ideologie die verrassend hedendaags aandoet: theater moet alle middelen aanwenden om het te hebben over vandaag, om met beide benen in de wereld te staan. Het boek beschrijft ook dramaturgische elementen in het werk van actuele theatermakers van totaal verschillend allooi zoals Jan Fabre, Laura Van Dolron, Pina Bausch of Guy Cassiers.





De schematische aanpak en de beschouwende toon zorgt ervoor dat dit boek een mooie inleiding biedt in de dramaturgie van het theater en, wat mij betreft, van nog vele andere kunst- en uitingsvormen. Tegelijkertijd verhindert deze aanpak een beetje dat je echt voeling krijgt met de harde theaterpraktijk van alledag: daarvoor staat 'de dramaturgie' als invalshoek mijns inziens te centraal – alsof elk project begint en eindigt met dramaturgie als eerste en enige prioriteit. Minder inhoudelijk verheven, meer banale factoren waarmee je in het theater en bij kunstenaars elke dag wordt geconfronteerd, blijven in dit boek buiten het blikveld: tourschema's en confrontaties met verschillende soorten publiek, de financiële en organisatorische praktijk van festival- en theatercircuits, factoren die te maken hebben met personeelsbeleid, de interactie met de pers, met de overheid, met de commerciële sector, met de spanningsverhoudingen tussen gezelschappen, theaters en kunstenaars onderling. Het maakt allemaal deel uit van het kluwen dat de hedendaagse theaterpraktijk is, en dat onkenbaar blijft voor wie enkel naar theater kijkt als theoreticus of toeschouwer.





Een tweede, misschien belangrijker gemis vind ik het gebrek aan aandacht voor de verhouding tussen acteur en dramaturg. De dialoog waarvan zo dikwijls sprake in Een voortdurend gesprek vindt blijkbaar vooral plaats tussen dramaturg en regisseur. In dit boek wordt nauwelijks gesproken over de interactie tussen acteurs en dramaturgen. En als dat al gebeurt, is het meestal in de negatieve zin, zoals wanneer Frieda Pittoors haar gal spuit over de dramaturg: "Het heeft iets triests, vind ik, dramaturg. Ik heb altijd het gevoel dat een heleboel dramaturgen eigenlijk regisseur zouden willen zijn. Ze zitten vaak zo te kijken: 'nou eigenlijk zou ik het heel anders gedaan hebben'. En dat is zoiets akeligs om mee te maken." Nu is de relatie tussen acteurs en dramaturgen heus niet te reduceren tot louter één van argwaan en wantrouwen. Dieho stelt dat de emancipatie van de dramaturg al enkele tientallen jaren een feit is, maar toch geeft hij weinig voorbeelden van hoe acteur en dramaturg op een inspirerende manier met elkaar kunnen communiceren. Het is een blinde vlek in de hedendaagse theorievorming over dramaturgie. Gelukkig is het een blinde vlek die op een prettige manier in te vullen valt, namelijk door te speuren naar hoe acteurs en dramaturgen tijdens het creatie- en speelproces (en op talloze gelegenheden tussendoor) elkaar artistiek kunnen stimuleren. Het valt te hopen dat Bart Dieho, met zijn begeesterende manier van beschouwen en beschrijven, hiernaar verder onderzoek verricht.

arrow up | pijl naar boven