Euripides

Het treurspel Hippolutos

Uit het Grieksch in Nederlandsche verzen overgebracht met inleiding en toelichtingen door Dr. K.H. de Raaf

Zutphen - W.J. Thieme & Cie - MCMXL


 

DE PERSONEN VAN HET TREURSPEL.


Aphrodíte.
Hippolutos, zoon van Theseus.
Bedienden, van Hippolutos.
Een Oude Dienaar.
Koor van Troizeensche Vrouwen.
De Voedster, vertrouwde van Phaidra.
Phaidra, gemalin van Theseus.
Theuseus, Koning van Athenai.
Een Bode, rijknecht van Hippolutos.
Artemis.

PLAATS DER HANDELING.

De stad Troizen in Argos, aan de Saronische Golf.

 


 

HIPPOLUTOS.

 

Plein vóór het koninklijk paleis van Troizen. Aan de eene zijde staat een beeld van Artemis, aan de andere een van Aphrodite, beide met een altaar. De godin Aphrodite of Kupris verschijnt en spreekt den proloog.

APHRODITE

Ik ben de machtig heerschende, alom vermaard,
op aarde en in den hemel: Kupris, de godin.
Wie 't licht der zon aanschouwend wonen tot de Zee
en Atlas' grensgebied, hun deel ik van mijn gunst,
zoo zij mijn krachten eeren, maar wier overmoed
mij trotsch bejeegnen durft, hen zal ik nederslaan,
want ook 't geslacht der goden is in wezen zoo,
dat hun der menschen hulde welgevallig is.
Weldra zal ik de waarheid toonen van dit woord,
want hij, dien Theseus heeft verwekt bij d' Amazoon,
Hippolutos, des vromen Pittheus' voedsterling,
is de eenige der burgers van 't Troizeensche land,
die zegt dat ik de slechtste aller goden ben.
Wars van het huwelijksbed denkt hij aan paren niet,
neen, Phoibos' zuster Artemis, het kind van Zeus,
die eert hij, wanend dat zij d' hoogste godheid is,
en steeds de Maagd verzellend door het groene woud,
doodt hij met hulp van snelle honden 't wild gediert
en heeft een omgang, hooger dan een mensch betaamt.
'k Ben hierop niet afgunstig; waarom zou ik ook?
Maar wat Hippolutos aan mij gezondigd heeft,
dat wreek ik nog vandaag. Veel moeite kost mij dit
wel niet, daar ik reeds lang het meeste heb voorbereid.
Want toen hij een uit Troizen reisde naar het land
van Pandioon, voor d' heilige mysteriën,
om die t' aanschouwen en te worden ingewijd,
zag de eedle gade van zijn vader, Phaidra, hem,
en dolle liefde overweldigde haar hart,
zooals ik 't had bepaald. En vóór zij naar dees kust
van Troizen ging, heeft zij, uit liefde voor het lief,
dat ver was, naast de rots van Pallas opgericht
een tempelbouw voor Kupris, uitziend naar dit land.
Maar in de toekomst, zeide zij, zal 't heeten dat
het heiligdom gesticht is om Hippolutos.
Toen Theseus nu uit Kekrops' land geweken was,
den smet ontvluchtend van den Pallantiden-moord,
en met zijn gade overvoer naar deze streek,
besloten voor een jaar te leven buitenslands,
deed de arme niets dan zuchten, diep in 't hart gewond,
maar sprak geen woord, en geen in huis begreep haar leed.
Doch zoo mag geenszins de afloop van haar liefde zijn.
'k Zal Theseus alles melden, 'k breng de zaak aan 't licht,
en hij, de vader, zal den jongling die mij haat,
doen sterven door een vloek, want d' Heerscher van de Zee,
Poseidoon, heeft hem eens als geschenk beloofd,
dat hij tot driemaal zijn gebed verhooren zou.
Zij, Phaidra, redt haar eer, maar vindt toch ook den dood,
want al het droeve van haar lot weegt niet zoo zwaar,
dat 'k van mijn vijanden geen boete eischen zou
zoodanig, dat ik mij bevredigd voelen kan.
Maar zie, daar keert die zoon van Theuseus van de jacht,
Hippolutos. Ik ga nu heen van deze plaats.
Een groote sleep van dienaars volgt hem op den voet.
Hoe luid klinkt hun geroep! Met zangen eeren zij
hun godheid Artemis. Hij weet niet dat voor 't laatst
hij 't licht ziet en de poort van Hades open staat!

Van links komt Hippolutos op in jachtkleedij, in de eene hand een jachtspriet, in de andere een krans van veldbloemen. Hij wordt gevolgd door een stoet van bedienden. Onder lofgezang begeeft zich het gezelschap naar het altaar van Artemis.

HIPPOLUTOS

Volgt mij, volgt mij en bezingt
de hemelsche dochter van Zeus,
Artemis die ons beschermt!

DIENAREN

Machtige, machtige, heiligste Maagd,
o telg van Zeus!
Wees ons gegroet, o kind
van Zeus en Lato: Artemis!
Verre de schoonste der maagden, gij,
die in den wijden hemel het hof
van uwen eedlen vader bewoont,
Zeus' goud-blinkende zalen!
Wees ons gegroet, o schoonste, gij,
schoonste der maagden van den Olump,
Artemis, Artemis!

HIPPOLUTOS

Voor het altaar, waarop hij zijn krans legt

Uit nooit betreden weide, o mijn Meesteres,
breng ik aan u den frisschen krans dien 'k vlocht,
waar nooit een herder schaap of rund te hoeden waagt,
noch ooit de sikkel ging, maar in den lentetijd
door ongerepte bloemen zwerft de honingbij.
De Kuischheid drenkt haar met den droppeldauw der beek.
Al wie door zijn natuur en niet door leering slechts
verkoren heeft, in alles waarlijk goed te zijn,
dien staat het plukken vrij: den boozen is 't ontzegd.
Aanvaard, mijn lieve Meesteres, dan deze kroon
voor uwe gulden haren uit mijn vrome hand,
want van de stervelingen valt slechts mij te beurt
dat 'k met u samen ben, tot u met woorden spreek,
terwijl 'k uw stem verneem maar nooit uzelve zie.
O, zij mijn laatste ronde zoals d' aanvang was!

Uit den stoet der jachtgezellen treedt een grijze dienaar naar voren en spreekt Hippolutos aan.

DIENAAR

O, prins, want slechts voor goden past de naam van Heer!
Zoudt gij soms hooren willen naar een goeden raad?

HIPPOLUTOS

Natuurlijk; 'k was niet wijs zoo ik dit weigren zou.

DIENAAR

Gij weet toch welke wet voor stervelingen geldt?

HIPPOLUTOS

Dat weet ik niet; wat meent ge toch met deze vraag?

DIENAAR

Dat men verwaandheid haat en ontoegankelijkheid.

HIPPOLUTOS

Terecht; verwaandheid boezemt ieder afkeer in.

DIENAAR

En dat wie vriendlijk elk bejegent, harten wint?

HIPPOLUTOS

Zeer zeker; en geringe moeite wordt nog rijk beloond.

DIENAAR

Ook bij de goden, denkt ge stellig, is dit zoo?

HIPPOLUTOS

Ja, zoo wij menschen leven naar der goden wet.

DIENAAR

Waarom dan tot de hooge godheid spraakt gij niet?

HIPPOLUTOS

Tot wie? Geef acht opdat uw tong zich niet vergiss'!

DIENAAR

Tot haar die voor uw poort staat: Kupris de godin!

HIPPOLUTOS

Van uit de verte, daar ik kuisch ben, groet ik haar.

DIENAAR

Toch eert haar iedereen: zij is alom befaamd.

HIPPOLUTOS

Geen god bevalt mij die gevierd wordt in den nacht.

DIENAAR

O knaap, het past dat men de goden dient en eert!

HIPPOLUTOS

't Zij god of mensch, men eert niet ieder evenzeer.

DIENAAR

Het zou u goed gaan, hadt gij 't noodige verstand!

HIPPOLUTOS
Zich ongeduldig afwendend

Gaat heen, gezellen, en begeeft u in 't paleis,
om zorg te dragen voor het maal: een volle disch
is na de jacht een vreugde. En de paarden, denkt
dat ge die roskamt! Als 'k van spijs verzadigd ben,
span ik ze voor den wagen en geef ze een goede beurt!

Tot den grijsaard, terloops

En haar, uwe Aphrodite, wensch ik heel veel goeds!

Hij treedt het paleis binnen door de middenpoort, de dienaren gaan door een zijdeur. Wanneer het tooneel leeg is, wendt de grijsaard zich tot het altaar van Aphrodite.

DIENAAR

Ik echter - want het past niet dat men jongren volgt -
denk over deze zaak zooals 't een slaaf betaamt,
en bid, o Kupris, staande voor dit beeld van u,
o Machtige: vergeef, als jeugdige overmoed
in drift aan 't baazlen slaat; doe of gij niets verneemt,
want wijzer dan de menschen moeten goden zijn.

Zijwaarts af

Van rechts komen een twaalftal Troizeensche vrouwen naar het orchestron, de dansplaats vóór het toneel.

KOOR

STROFE I

Men kent hier een rots waaruit
Okeanos' water welt.
Spuitend giet ze uit haar wand
bron-nat gul in de kruik.
'k Trof er een speelnoot aan
die daar purper gewaad
doopte in de koele kreek
en toen lei op den rug eener rots,
warm van zon; ik hoorde van haar
d' eerste geruchten over mijn vrouwe.

ANTISTROFE I

't Heet dat zij binnen, te bed
neerligt, het lichaam gesloopt,
't blondlokkig hoofd in de schaûw
van fijne sluiers gehuld.
'k Hoor, dit' s de derde dag
dat zij haar godlijken mond,
zuiver van alle spijs,
't brood van Demeters koren onthoudt,
heimelijk lijdt en willens en wetens
streeft naar 't ellendig einde, den dood.

STROFE II

Woedt, jonge vrouw, soms een god
in u? Is het Pan? Is 't Hekate?
De Korubanten? Of wel
de Moeder der bergen zelf?
Of kwelt u eenig vergrijp
aan Diktunna, de jageres,
wie gij on-vroom haar offer onthieldt?
Want ook over de zee, in de werveling
der zilte kolken snelt zij naar hier,
door wad en duin naar vasten grond.

ANTISTROFE II

Wordt wellicht in uw huis
de vorst van alouden stam
door bijslaaps lusten verleid,
verborgen voor u en geheim?
Of voer een schipper hierheen,
een man uit Kreta, naar deze reê,
waar steeds matroos gastvrijheid vond,
met kondschap voor de koningin,
die haar aan 't bed gebonden houdt
door overmaat van zielesmart?

NAZANG

Zoo is het moeilijke gestel
der vrouwen eveneens belast
met een ellendig hulploos-zijn,
als barenspijn den geest verwart.
Zelf voelde ik eenmaal ook die vlaag,
en haar, de Heemling, riep ik aan,
die 't kraambed hoedt, de pijlen richt,
Artemis - en die vereerde godin
hielp mij, gode zij dank!

De deuren gaan open. Phaidra wordt door de voedster ondersteund. Dienaressen dragen een rustbed naar buiten waarop Phaidra zich uitstrekt.

KOORLEIDSTER

Maar de oude voedster verschijnt voor de poort.
Zij geleidt haar buiten haar kameren.
Hoe groeit der wenkbrauwen donkere wolk!
Wat mag dit zijn? Ik brand om te hooren
wat toch het lichaam der koningin
zóó heeft verwelkt en ontluisterd.

VOEDSTER

O, menschelijk leed! Afschuwelijke ziekten!

Tot Phaidra.

Wat moet ik doen voor u? En wat niet doen?
Zie, hier dan is zon, hier hemel en licht,
en vóór het huis staat thans naar uw wensch
het bed voor de kranke.
Want al wat ge spraakt, was: breng me toch buiten!
Maar weldra wilt ge naar binnen terug,
want spoedig verveelt dit; niets geeft u vreugde.
Wat ge hebt dat verdriet u en al wat ge mist,
dat waant ge 't begeerlijkst.
Beter nog ziek-zijn dan iemand verplegen.
't Eerste is eenvoudig, bij 't andere paart
kommer van 't hart zich aan arbeid der hand.
Ons menschenleven is enkel verdriet,
nooit komt er een eind aan de zorgen.
Een ander bestaan dat begeerlijker is,
verbergt het omhullende duister in nevelen.
Zoo zijn wij stervlingen dwaaslijk verliefd
op al wat op aarde ons toeblinkt,
daar w' een ander leven niet kennen
en niemand verklaart wat volgt op den dood.
Wij worden begoocheld door faablen.

PHAIDRA

Ach, heft mij op, houdt recht mijn hoofd!
Mijn arme leden zijn zoo machtloos.
Steunt, meisjes, mijn mooie handen, mijn armen!
De diadeem drukt mijn slapen! Neemt weg,
en spreidt om mijn schouders mijn lokken!

VOEDSTER

Houd moed, mijn kind. Wat werpt ge zoo wild
u telkens weêr om?
Veel lichter zult gij uw krankheid dragen
met edele wilskracht en kalme gelatenheid.
Dat menschen lijden is Noodlot.

PHAIDRA

Ach, ach!
Kon ik maar aan een ruischende bron
met rein, koel water lesschen mijn dorst!
O, onder de elzen languit te rusten,
liggend in 't wuivende gras van een weî!

VOEDSTER

O, kind, wat zegt ge!
Maak zulke woorden niet luid voor het volk!
Sla toch geen taal uit die waanzin u toevoert!

PHAIDRA

Breng naar de bergen mij! 'k Ga naar het bosch,
langs de dennen, daar waar gierig naar bloed,
de jachthond rent, dicht op de hielen der vlekkige herten.
Bij god, ik verlang te hitsen de honden
en, in mijn hand de puntige schacht,
suizende langs het blond mijner haren,
te slingeren weg de Thessalische werpspies!

VOEDSTER

Waarom, mijn kind, verzint ge die dingen?
Wat hebt ook gij met jagen te doen?
En wat verlangt ge naar stroomende bronnen?
Want dicht bij den burcht bruist een beek naar omlaag,
waarvan een lavende dronk u bereid is.

PHAIDRA

O, Artemis, Vrouwe van Limnè aan zee,
godin van de renbaan, die dreunt van den hoefslag!
Ach, dat ik mij op uw vlakten bevond,
daar reed en Venetische veulens bedwong!

VOEDSTER

Waarom opnieuw zulk een zotheid gezegd!
Nu zet gij uw zinnen op jacht in 't gebergte,
dan wilt ge rijden op 't golfvrije zand.
Groot moet de kunst van den ziener zijn,
die raadt welke god u sleurt uit het spoor
en u den geest verbijstert, mijn kind.

PHAIDRA

Weer neergezegen op haar rustbed.

Wee, mij arme, wat heb ik gedaan?
Waarheen dwaalde ik af buiten rede en begrip?
Ik raasde, ik viel door den vloek van een god!
O, ik ellendige!

Tot de voedster:

Moedertje, ach, omhul weer mijn hoofd,
want, o, hoe berouwt me, dat ik zoo sprak!
Omhul me! Tranen bevochten mijn wang
en gloed van schaamte brandt mij 't gelaat.
Want plots dit bezinnen, het doet zulk een pijn!
Waanzin is kwaad, maar buiten zijn weten
tenonder-gaan, dat is een geluk.

VOEDSTER

Ze legt een sluier op het gelaat der koningin.

'k Omhul u; wanneer zal de dood
ook mijn lichaam omhullen?
Veel jaren leefde ik, veel heb ik geleerd.
Een vriendschap die maat houdt, moest menschen verbinden,
die niet in het merg der ziel doordringt.
De band der liefde zij licht ontbindbaar,
zij los te maken, te knoopen opnieuw.
Ondraaglijk de last, wanneer voor twee zielen
ééne zich afpijnt, zooals ik om haar
bovenmenschelijk lijd. Trouwhartig zich offren
brengt meer ontgoochling, heet het, dan vreugde
en is met gezonde rede in strijd.
Dus is mijn lof voor het "al te" geringer
dan voor het spreekwoord "alles met maat"!
Met mij zullen wijzen zoo spreken.

KOORLEIDSTER

Gij, oude vrouw, van Phaidra, onze koningin,
de trouwe voedster, 'k zie dit treurig lijden aan,
maar duidelijk is 't ons niet, wat ziekte dit mag zijn.
Ik zou 't u willen vragen en vernam het graag.

VOEDSTER

'k Weet niets, ofschoon ik navroeg; spreken wil zij niet.

KOORLEIDSTER

Ook niet, wat de eerste oorzaak was van deze kwaal?

VOEDSTER

Ik heb geen ander antwoord; altijd zwijgt ze, zwijgt!

KOORLEIDSTER

Hoe zwak is zij! Hoe is haar lichaam uitgeteerd!

VOEDSTER

Hoe kan het anders? Want drie dagen at zij niet.

KOORLEIDSTER

Door krank verdwazen of bewusten stervenswil?

VOEDSTER

Zij wenscht te sterven, vasten tot het einde komt.

KOORLEIDSTER

Een wonder, dat haar man hiermee genoegen neemt.

VOEDSTER

Zij houdt haar kwaal geheim, ontkent het, ziek te zijn.

KOORLEIDSTER

En kan hij 't dan niet lezen op haar aangezicht?

VOEDSTER

Hij is toevallig weggereisd en buitenslands.

KOORLEIDSTER

Waarom geen dwang gebruikt en waarom tracht gij niet
de ziekte te doorgronden, die haar geest verwart?

VOEDSTER

'k Heb alles aangewend, maar acht, bereikte niets.
Toch zal mijn ijver niet verflauwen, weet dit wel,
zoodat ook gij die 't ziet, met mij getuigen kunt,
hoe voor mijn meesters ik mij toon in 't ongeluk.

Tot Phaidra:

Kom, beste kindje, al die woorden van zoo straks,
we willen ze vergeten samen; wees weer lief!
Die droeve rimpels, lach ze weg, verdrijf uw zorg,
en ik, zoo ik onaardig was in ons gesprek,
ik zal dit laten, hoor, en geef een beetren raad:
Indien gij lijdt aan iets, dat men het liefst verzwijgt,
hier zijn de meisjes, die tot helpen zijn bereid.
Maar zoo men aan een man uw ziekte zeggen kan,
toe, spreek, opdat een arts hiervan verwittigd zij.

Komaan, wat zwijgt ge nu? Gij moet niet zwijgen, kind,
maar liever mij berispen, als ik iets miszeg,
óf, zoo mijn woorden juist zijn, zeggen: ze heeft gelijk.
Toe, zeg iets! - Zie mij aan! - Owee, mij arme, ach!
Nu, vrouwen, ziet ge? Al mijn moeite is vergeefs.
'k Ben even ver als eerst; toen bleef zij ongeroerd
bij al mijn woorden nu luistert ze evenmin.

Tot Phaidra:

Maar weet dit wel: wees dan maar onverzetlijker
nog dan de zee; wanneer gij sterft, verraadt ge uw kroost,
dat van het vaderlijk bezit beroofd zal zijn!
Ik zweer 't u bij de rossen-dwingende Amazoon,
die uwen kindren tot gebieder heeft gebaard
een bastaard, die als evenboortig zich gedraagt.
Gij kent hem opperbest; ik meen, Hippolutos.

PHAIDRA

Met teekenen van groote ontroering.

O, o, wee mijner!

VOEDSTER

Hoe? Ontstelt u dit zoo zeer?

PHAIDRA

Gij doet me sterven, moeder! 'k smeek u bij de goôn:
Zwijg over dezen man, noem hem geen tweede maal!

VOEDSTER

Zie nu! gij denkt verstandig en toch wilt ge niets
voor uwe kindren doen, noch voor uw eigen heil?

PHAIDRA

Ik min mijn kindren, maar nu woedt een andre storm.

VOEDSTER

O, kind, uw handen zijn toch zuiver, rein van bloed?

PHAIDRA

Mijn handen? Die zijn rein; mijn ziel is vuil besmet.

VOEDSTER

Kan 't zijn dat eenig vijand u beleedigd heeft?

PHAIDRA

Zijns ondanks bracht me een vriend verderf, mijns ondanks ook.

VOEDSTER

Heeft Theseus tegenover u dan iets misdaan?

PHAIDRA

Mocht men maar nimmer zien dat ik hèm onrecht deed!

VOEDSTER

Wat vreeslijks mag 't dan zijn, dat u tot sterven noopt?

PHAIDRA

Laat mij maar zondigen; mijn zonde treft u niet.

VOEDSTER

Zij valt op de knieën en grijpt Phaidra's hand.

Met mijn wil nooit en nooit! Zoo 'k faal, 't zal zijn door u!

PHAIDRA

Wat gaat ge doen? Ge wilt mij dwingen? Vat mijn hand?

VOEDSTER

omvat Phaidra's knieën.

En ook uw knieën, en ik laat ze niet meer los!

PHAIDRA

Het zal u kwaad zijn, arme, als gij dit kwaad verneemt.

VOEDSTER

Wat kan mij kwader zijn dan dat ik u verlies?

PHAIDRA

Verliezen zult ge mij, maar dit strekt mij tot eer!

VOEDSTER

Maar doet gij voor uw eer niet meer, zoo ge u verklaart?

PHAIDRA

'k Wil trachten, schande te verkeeren tot iets goeds.

VOEDSTER

En toch verbergt gij 't eedle, ook al smeek ik u?

PHAIDRA

Ga weg, ga weg, om godswil en laat los mijn hand!

VOEDSTER

Neen, nooit! Want wat gij geven moet, geeft gij me niet!

PHAIDRA

'k Zal 't geven, 't smeeken ducht ik van uw vrome hand.

VOEDSTER

De dienaressen gaan heen.

Dan zal ik zwijgen want aan u is verder 't woord.

PHAIDRA

O arme moeder, welk een liefde sleepte u mee!

VOEDSTER

Die zij aan Tauros schonk, mijn kind? Wat meent ge toch?

PHAIDRA

En u, rampzaalge zuster, Dionusos' gâ!

VOEDSTER

Mijn kind, wat scheelt u? Bloedverwanten smaân?

PHAIDRA

En ik, wee mij, de derde, daar ik sterven moet!

VOEDSTER

Wat voor een taal! Ik sta verbluft; waar moet dat heen!

PHAIDRA

Van dáár mijn ongeluk; het was vooraf beschikt.

VOEDSTER

Ik ben niets wijzer nog in 'tgeen ik hooren wil.

PHAIDRA

Wee!
Waarom zegt gij zelf niet wat ik zeggen moest?

VOEDSTER

Ik ben geen ziener die verborgenheden duidt.

PHAIDRA

Wat is het, wat bij menschen liefde wordt genoemd?

VOEDSTER

Iets zeer verrukklijks, kind, maar smartlijk tegelijk.

PHAIDRA

Ik denk dat mij dan wel het laatste viel ten deel.

VOEDSTER

Wat zegt ge? Heb ge lief? O, kind! Is het een mensch?

PHAIDRA

Wat hij dan moge zijn: het kind der Amazoon'!

VOEDSTER

Gij meent, Hippolutos?

PHAIDRA

Niet ik, gij noemt den naam!

VOEDSTER

Wee, dochterlief, wat hoor ik? Ach, dit wordt mijn dood!
Dit, vrouwen, overleef ik niet; dit is te veel!
Het licht dat ik aanschouw, ik haat het, haat den dag!
Dit lichaam is mij niets meer, 'k smijt het weg van mij!
De dood zal mij verlossen. 't Is met mij gedaan!
Vaartwel! - Het blijkt nu, dat, al willen zij het niet,
ook eedle menschen weerloos neigen tot het kwaad.
Maar dan is Kupris geen godin dus, maar veel méér,
zoo er iets anders, grooters, zijn kan dan een god,
zij, die èn haar, èn mij, èn 't koningshuis verderft!

KOORLEIDSTER

Tot het Koor.

Hebt gij gehoord, o, hebt gij vernomen
dit ongehoorde der koningin,
die haar droef lijden verkondde?
Ik, lieve, zou willen sterven, aleer
mij hetzelfde weervoer in mijn denken; wee, wee!
O, zoo te lijden, rampzalige!
O zorgen, gij voedsel des stervlings!
't Is uit! Uw zonde bracht gij aan 't licht.
Wat houdt deze dag u bereid vóór hij eindt?
Iets nieuws voltrekt zich over dit huis.
Nu blijkt, waarop het uitloopt uw lot,
dat Kupris bestiert, arm kind van Kreta!

PHAIDRA

Zij staat op, kalm, en wendt zich tot het Koor.

Gij, vrouwen van Troizene, die dit voorportaal
bewoont van Pelops landen in dit grensgebied!
In nachts lang-slepende uren vroeg ik mij wel af,
sinds lang, wat toch het leven van den mensch verwoest.
En ik geloof, 't ligt niet aan de aard van hun begrip,
dat menschen doen wat slecht is; immers, goed verstand,
dat hebben velen; neen, men moet het aldus zien:
Wij weten wat betaamlijk is, beseffen 't wel,
maar brengen 't niet ten uitvoer, 'tzij ons traagheid remt,
't zij dat we 't goede achterstellen bij genot.
En aan genietingen is 't leven overrijk:
Het eindloos babblen in gezelschap, lediggang,
dat zoet vergif, en dan, de liefde. Deze is tweeërlei;
deels niet te laken, deels een ramp voor elk gezin.
Indien men beide duidelijk onderscheiden kon,
men zou ze niet benoemen met hetzelfde woord.
Hoe 'k dacht ten aanzien van mijzelf zeg ik u ook:
Toen mij de liefde wondde, overlegde ik, hoe
ik haar op 't schoonst zou dragen; in den aanvang dus
verzweeg ik haar en hield mijn ziekte stipt geheim.
De tong vertrouw' men nimmer! Zij verstaat het goed,
der menschen meening te bedillen, gispt die graag,
maar 't allergrootste kwaad doet zij zich zelve aan.
Vervolgens dacht ik, hoe 'k mijn waanzin wenden kon
ten goede en zocht dien te overwinnen door mijn deugd.
Het derde, toen 't mij niet gelukte, met haar kracht
mijn demon te beteuglen, scheen het beste plan,
dat mijzelf zou dooden - Neen, geen tegenspraak! -
Sinds ik vooraf dit alles zoo begrepen heb,
zal zelfs geen toovermiddel hieraan afbreuk doen
zoodat ik weer terugval in mijn onverstand.
Want wat ik schoons deed, 't moge niet verborgen zijn,
doch veel getuigen van mijn schande wensch ik niet!
Ik voelde dat mijn hartstocht iets verachtlijks was
en bovendien nog zelve vrouw, begreep ik goed,
dat elk mij haten moest. Afschuwelijk verderf
treff' haar die 't eerst het bed van vreemde mannen schond!
Uit eedle huizen kwam den vrouwen 't eerst dit kwaad,
want als voornamen lieden ondeugd oorbaar dunkt,
dan schijnt ze zeker schoon in de oogen van het volk.
Ook haat ik vrouwen, deugdzaam met het woord,
maar die onfraaie dingen wagen in 't geheim,
en - hoe kan 't zijn? O, Kupris, zee-geborene! -
haar echtgenooten rustig blikken in 't gelaat,
niet huivrend dat heur bondgenoot, de donkre nacht,
en 't huis met dak en wanden luid-op spreken gaan.
Dus, lieven, wat mij in den dood drijft, het is dit:
Nooit zal men mij betrappen dat ik mijnen man
onteerde, noch de kindren wien ik 't leven schonk.
Vrij zullen zij en bloeiend in vrijmoedigheid
van spreken, wonen in de stad, 't roemrucht Atheen,
en, wat hun moeder aangaat, zonder opspraak zijn,
want slaaf wordt elke man, hoe onverschrokken ook,
als hij van vader of van moeder slechtheid weet.
Men zegt dat één ding opweegt tegen 't leven zelf:
Een zuiver, goed geweten, wien 't ook vall' ten deel.
Maar slechtaards maakt de tijd wel openbaar,
die hun als voor een jonge maagd den spiegel houdt.
O, dat men bij dezulken mij toch nimmer zie!

KOORLEIDSTER

Ja, overal ter wereld is de deugd iets schoons.
Haar oogst is bij het nageslacht een goede naam!

VOEDSTER

Mijn meesteres, uw droeve toestand heeft zoo pas
mij plotseling vervuld met groote ontsteltenis.
Nu zie ik dat ik dwaas was; en, als men opnieuw
iets overweegt, denkt men verstandiger dan eerst.
Hetgeen gij lijden moet, het is niets ongerijmds,
niets buitensporigs; Kupris' woede greep u aan.
Gij mint. Is dat een wonder? 't Is iets zeer gewoons.
En zult gij dan uw ziel te niet doen, daar gij mint?
Dan zou wel al wie mint of later minnen zal,
zijn naaste kunnen missen, ware sterven 't best!
Komt zij in volle kracht, Kupris weerstaat men niet.
Wie willig is, die leidt zij met een zachte hand,
maar den weerspannige, vol van hoogmoedigheid,
dien grijpt ze, en wat dan? Zij overweldigt hem!
Kupris doorvliegt de lucht, zij is in 't golfgebruis
der zeeën, en uit haar alleen kwam alles voort.
Zij is 't die zaait de liefde en háár gedijen doet,
waaruit wij allen stammen op dit aarderond.
Al wie van oudre dichters de geschriften kent
en zelve met de Muzen leeft in trouw verkeer,
weet, hoe eens Zeus in liefde ontstak voor Semele,
hoe eens schoon-stralende Eoos roofde Kephalos
en voerde tot de goden, om der liefde wil.
Zij wonen in den hemel en vermijden niet
het bijzijn van de goden, maar zijn wel-tevreê,
naar ik geloof, dat zij door 't lot verwonnen zijn.
En zoudt gij 't niet verdragen? Schonk dan vader u
't leven onder beding of onder heerschappij
van andre goden soms, dat ge onze wet versmaadt?
Bedenk, hoevele mannen met zeer goed verstand,
die 't huwelijksbed onteerd zien, veinzen, niets te zien,
en hoeveel vaders, die hun afgedwaalde zoons
helpen bij minnehandel! Want het geldt voor wijs,
te zorgen dat het leelijke verborgen blijft.
Te groote nauwgezetheid deugt voor 't leven niet,
zoo min als men de zolderbalken van een huis
juist waterpas kan richte'. En gij, eenmaal geraakt
in zulk een stroom, denkt gij, dat g' hem ontzwemmen kunt?
Wanneer het goede in u het kwaad te boven gaat,
dan hebt ge, daar ge mensch zijt, reeds genoeg gedaan.
Kom, kindlief, zet dit dwaze denken uit uw hoofd!
Die hoogmoed, laat hem varen! Immers hoogmoed is 't,
dat gij de goden overtreffen wilt in kracht.
Durf lief te hebben! Een godin heeft dit gewild.
Indien gij lijdt, zoo wend dit lijden tot iets goeds.
Er zijn nog spreuken, woorden van betoovering.
Wij vinden wel een middel dat de kwaal geneest.
Ja, lang zou 't duren eer een man hier raad op wist,
zoo onze vrouwelijke list geen uitkomst vond.

KOORLEIDSTER

Phaidra, wat zij u raadt, is naar omstandigheid
het bruikbaarst voor uw lijden, maar 'k geef u gelijk.
Die lof van mij is echter minder aangenaam
dan haar verwijt en voor uw ooren pijnlijker.

PHAIDRA

Dat is het wat der menschen staten, wel-bestuurd,
en huizen richt te gronde: 't al te streelend woord!
Want niet wat lieflijk voor het oor is, dient gezegd,
maar dat waaruit voor iemand goede faam ontspruit.

VOEDSTER

Waartoe dit plechtig preêken? Wat u dient, het is
geen fraaie rede, maar de man! Ik moet terstond
doorgronden hoe hij denkt, nadat ik uw geval
hem ronduit heb verklaard. Want als een groot gevaar
uw leven niet bedreigde en g' u beheerschen kondt,
'k had nooit terwille van uw bijslaap, uw genot,
u dezen raad gegeven. Maar nu dringt iets groots:
het redden van uw leven! Hier past geen verwijt.

PHAIDRA

O, vreeslijk, zoo te spreken! Sluit uw lippen dicht
en zeg geen tweede maal woorden zoo in-gemeen!

VOEDSTER

Gemeen, maar u meer dienstig dan wat deugdzaam klinkt,
want beter is de daad, zoo ze u tenminste redt,
dan dood te gaan doordat gij prat gaat op een naam.

PHAIDRA

Om hemelswil, ga zoo niet voort! Gij praat zeer fraai,
maar schandelijk; voor liefde zwichtte ik maar bleef rein,
docht zoo gij 't slechte goedpraat, word ik weggesleept
verderflijk naar den afgrond dien 'k ontvluchten wil.

VOEDSTER

Is dat uw meening werklijk, waarom dan gefaald?
Maar nu dit zoo moest zijn, hoor toe en volg mijn raad.
Uw dank komt dan wel later, op de tweede plaats.
Ik heb voor liefde-wee een toovermiddel thuis -
't viel me daar juist tebinnen - dat uw ziekte heelt,
zóó, dat geen blaam u treft noch rede schade lijdt,
mits gij niet laf zijt; maar ik moet van wien gij mint,
iets hebben tot een teeken, 't zij een vlokje haar
of iets van zijn gewaad, opdat ik door mijn kunst
twee neigingen tot ééne samenbinden mag.

PHAIDRA

Die artsenij, is dat een zalf of is 't een drank?

VOEDSTER

Ik weet het niet, mijn kind; wensch baat maar uitleg niet.

PHAIDRA

Ik ben bevreesd dat gij mij te vernuftig zijt.

VOEDSTER

Dan moet gij alles vreezen. Wat beangstigt u?

PHAIDRA

Dat gij tot Theseus' zoon hierover spreken zult.

VOEDSTER

Laat mij begaan, mijn kind; ik breng het àl terecht.

Zij wendt zich tot het beeld van Aphrodite.

"Geef gij, o Zee-geboren Kupris, Heerscheres,
mij slechts uw bijstand" (Ter zijde) Wat ik verder nog beraam,
het zal volstaan zoo 'k dit mijn vrienden-bínnen zeg.

KOOR

STROFE 1

Eroos, Eroos, o, gij, die door de oogen
verlangen doet vloeien en aan de ziel
van wie gij aanvalt, brengt zalige zoetheid!
Verschijn mij nimmer, verzeld van het kwade,
kom niet mateloos woedend!
Immers geen straal is krachtiger,
noch van vuur, noch van de zonne-ster,
dan de schichten van Aphrodite,
gelijk uit zijn hand ze wegschiet
Eroos, de zoon van Zeus!

ANTISTROFE 1

IJdel, ijdel dat langs den Alpheios
en bij Phoibos' Puthische kameren
Hellas vermeerdert den runderenmoord,
en men Eroos, den menschen-tyran,
die van Aphrodite's
liefste binnenvertrekken
de deuren opent, geen hulde brengt,
hem die verdelgt en den sterveling
bezoekt met allerlei rampen,
als hij hun nader komt.

STROFE II

't Meisje van Oichalia,
veulen nog vreemd aan 't gareel,
man-loos eens en nog vrij,
Kupris bedwong haar - en weg uit het huis
haars vaders, als een Najade
of Bakchante, hollend door bloed,
door rook, onder schreeuwenden moordzang,
zoo gaf zij haar aan Alkmene's zoon.
O, die onzalige bruiloft!

ANTISTROFE II

O, zeer heilig, ommuurd
Thebai, o Dirkè's mond,
zegt mede hoe Kupris te werk gaat:
De bruid, door bliksemend vuur omringd,
die Bakchos baarde, het Zeus-kind,
dompelde zij in den doodslaap.
Overal blaast zij verderf en zij vliegt
gelijk een bij allerwegen!

PHAIDRA

die reeds een poos onrustig aan de poort geluisterd heeft.

Zwijgt, vrouwen! spreekt niet meer; het is met mij gedaan!

KOORLEIDSTER

Wat doet u zoo ontstellen, Phaidra, in 't paleis?

PHAIDRA

Stil, dat ik hooren kan wat men daarbinnen roept!

KOORLEIDSTER

Wij zwijgen. Dit begin, voorwaar, spelt weinig goeds!

PHAIDRA

Wee mij, wee mij! O, ik, rampzalige!

KOORLEIDSTER

Wat toch beduidt die klacht? Waartoe die luide kreet?
Zeg, welk gerucht zoo plots,
Vrouwe, u schrikken doet!

PHAIDRA

Ik ben verloren! Toe, staat ginds, daar, bij de poort,
en hoort hoe in 't paleis opstijgt een luid alarm!

VOEDSTER

Sta gij ter deure, ù geldt dit woordgerucht
dat klinkt uit het huis.
Zeg mij, toe, zeg het mij, wat er voor kwaads mag zijn!

PHAIDRA

't Is d' Amazonentelg, die schreeuwt: Hippolutos.
Hij scheldt met vreeselijken schimp mijn dienares.

KOORLEIDSTER

Ik hoor wel de stem, maar 't wordt me niet klaar,
wat al dit geschreeuw
beduidt, dit geroep door de poort.

PHAIDRA

't Is duidelijk; hij scheldt de snoode kopplares,
die 't huwelijk heeft verraden van haar eigen heer.

KOORLEIDSTER

Verraden, lieve? Een vriendin, die u verried?
Hoe u te helpen!
't Geheim kwam dus aan 't licht. Dit is uw ondergang!

PHAIDRA

O mij, wat ramp is dit!
Mijn toestand openbarend stiet ze me in 't verderf!

KOORLEIDSTER

Zocht lief maar niet te loven voor uw hartstocht heul.
Hoe nu? Wat zult gij doen bij dit onheelbaar leed?

PHAIDRA

Ik weet dit ééne slechts: dat mij ééne uitkomst rest
in dezen rampspoed: sterven, en op staanden voet!

HIPPOLUTOS.

Hij snelt het paleis uit; achter hem de voedster die tracht hem terug te houden.

O, Moeder Aarde en Helios, wijd-stralende!
Wat voor onzegbre woorden heb ik aangehoord!

VOEDSTER

O, knaap, wees stil, eer iemand uw geroep verneem'!

HIPPOLUTOS

Ik hoorde iets zoo ontzettends, zwijgen kan ik niet!

VOEDSTER

Werpt zich op de knieën.

Ik smeek u bij uw rechterhand, uw sterken arm!

HIPPOLUTOS

Houd weg die hand en raak mijn kleed niet aan!

VOEDSTER

O, 'k smeek u: stoot mij niet in 't ongeluk!

HIPPOLUTOS

Hoe zou ik, zoo gij naar uw zeggen niets misdeedt?

VOEDSTER

Wat ik u zei, o prins, 't was niet voor elk bedoeld.

HIPPOLUTOS

't Is schooner dat men 't schoone aan velen mededeelt.

VOEDSTER

O, kind, uw dure eeden minacht die toch niet!

HIPPOLUTOS

Het was mijn tong die zwoer; mijn ziel wist van geen eed.

VOEDSTER

O, jongen, wat begint ge? Vrienden verderft ge dan?

HIPPOLUTOS

Mijn vrienden? Fij! Booswichten zijn mijn vrienden niet.

VOEDSTER

Vergeef me! Ach, mijn kind, een mensch kan dwalen soms.

HIPPOLUTOS

O, Zeus, waarom toch hebt gij voor den man de vrouw
in 't licht der zon gesteld, dat slecht, onecht metaal?
Want als voortplanting van het menschdom was uw doel,
dan moest gij 't niet uit vrouwen hebben voortgebracht,
maar in uw tempels moest de mensch als tegendienst
hetzij gewicht van goud of ijzer of wel brons
neêrleggend, kroost zich koopen, elk kind tot den prijs
der waarde, en zijn huis bewonen zonder vrouw,
in vrijheid. Maar nu moeien we ons, het eerste kwaad
in huis te halen en verteren have en goed.
Hoe groot een kwaad de vrouw is, blijkt wel hieruit klaar,
dat wie als vader haar verwekt heeft en gevoed,
haar met een bruidschat uit het huis zet om van 't kwaad
verlost te zijn. Hij echter die 't ellendig wicht
opneemt, verheugt zich en zijn mooie, slechte pop
schenkt hij juweelentooi, siert ze met rijk gewaad!
De stakkerd, en is alles kwijt aleer hij 't weet.
Zoo dwingt de noodzaak hem, dat hij, voornaam getrouwd
en trotsch op zijn verwanten, echtlijk leed verduurt,
of, zoo hij echtlijk heil bij arme maagschap vond,
den schadepost wegcijfert met zijn goed geluk.
Wel hem, wien aan de tafel zit een vrouw-van-niets,
die deugt voor niemendal door domme goedigheid!
Geleerde juffers haat ik; in mijn huis althans
verschijne nooit één', wijzer dan een vrouw betaamt,
want Kupris wekt ondeugendheid het allermeest
in allen die zoo knap zijn, maar beperkt begrip
beschermt de onnoozle vrouw tegen losbandigheid.
Ook moest geen kamenier ooit naadren tot een vrouw,
maar stomme beesten wonen met haar in het huis,
zoodat er géén was om te hooren maar heur woord
en zij van niemand iets vernamen op haar beurt.
Maar nu verzint de slechte slechtheid binnenshuis
en voor de uitvoering buiten zorgt de dienares.

Tot de voedster:

Zooals ook gij, misdadig schepsel, 't kuische bed
van vader waagt te onteeren door uw koppelpraat,
dien 'k weg zal spoelen, door mijn oor met stroomend nat
te reinigen! Hoe zou ik zulk een deugniet zijn,
dat ik na zulke woorden mij niet zuivren zou!
Mijn godsvrucht, weet dit wel, o vrouw, is uw behoud,
want zoo 'k niet argloos mij door eed gebonden had,
'k Zou alles aan mijn vader zeggen, stuk voor stuk.
Maar nu ga 'k uit dit huis, zoolang nog buitenslands
Theseus, de koning, toeft, en zwijgen zal mijn mond.
Kom ik met vader weer terug, dan wil 'k eens zien
hoe g' hem ontvangen zult, gij en uw meesteres.
'k Heb van uw schaamteloosheid al een proef gehad.

Tot Phaidra.

Vervloekt, gij! 'k Haat de vrouwen, 'k haat ze nooit genoeg;
laat men dan zeggen, dat ik steeds mijzelf herhaal!
Want ook zijzelve deugen nooit, zijn altijd slecht!
Zij mogen leeren, voortaan goed en wijs te zijn,
of mij zij toegestaan dat ik hen steeds beschimp.

Terzijde af.

PHAIDRA

O, droevig noodlot der vrouwen,
tot smarten geboren!
Welk middel rest mij bedrogene thans,
om den strik van het woord los te warren?
O, Aarde en Licht, de straf is verdiend!
Hoe kan ik mijn lot nog ontvluchten!
Hoe, mijne lieven, mijn schande bedekt?
Waar is de god die helpt nu, waar is de stervling
die zal steunen of bijstaan mij, de misdadige!
Want het leed waarin ik mij thans bevind,
daar komt mijn leven niet boven uit.
Er is geen vrouw zóó rampzalig!

KOORLEIDSTER

Wee, wee, het is geschied, en ach, vorstin, de list
van uwe dienares mislukte; 't loopt verkeerd!

PHAIDRA

Tot de Voedster.

O, allerslechtste, voor uw vrienden een verderf!
Wat hebt gij aangericht! Ach, mocht oudvader Zeus
u gansch vernietigen, u treffen met zijn vuur!
Heb ik het niet vermoed, u niet vooraf gelast,
te zwijgen over dat wat nu mijn schande is?
Maar stil zijn kondt ge niet. En daarom kan ik thans
niet meer met eere sterven. Nu, dan dient iets nieuws
bedacht. Want in zijn woede zal hij tot mijn schâ
vertellen aan zijn vader wat gij hebt misdaan
en 't gansche huis vervullen met zijn schandverhaal.
Vloek treffe en u en al wie ijvrig, ongevraagd,
zijn vrienden goed wil doen met ongewenschten dienst!

VOEDSTER

Meestres, dat gij mijn misstap laakt, begrijp ik goed:
Uw ergernis vermeestert oordeels onderscheid.
Maar 'k heb hierop een antwoord, zoo gij luistren wilt.
Ik heb u opgevoed en meen het wél met u,
zocht voor uw ziekte baat maar kwam bedrogen uit.
Was 't mij gelukt, 'k zou als zeer knap geprezen zijn,
want wij bezitten wijsheid al naar de uitslag is.

PHAIDRA

Zeg mij, is dat rechtvaardig, kan mij dit voldoen,
dat ge eerst mij doodlijk wondt en daarna schuld bekent?

VOEDSTER

We spreken veel te lang; ik heb niet wijs gedaan,
maar toch kunt gij ook thans u nog wel redden, kind!

PHAIDRA

Genoeg daarvan! Van d' aanvang af was, wat gij riedt,
ver van behoorlijk en gij hebt iets slechts bestaan.
Kom, pak u weg van hier en denk maar aan u zelf!
Voor mij zal ík wel zorgen.

De Voedster gaat heen.
Phaidra tot het koor.

En gij, eedle teelt
van dit Troizener land, dit ééne bid ik u,
dat gij in zwijgen hullen wilt wat g' hebt gehoord!

KOORLEIDSTER

'k Zweer bij Zeus' eigen dochter, heilige Artemis,
nooit iets aan 't licht te brengen van uw rampgeval!

PHAIDRA

Dat 's wel gesproken. Zie, ik weet één uitweg nog
en vond een afdoend middel voor dit ongeluk.
Ik waarborg dan een eervol leven aan mijn zoons
en, naar omstandigheden, dien ik ook mijzelf.
Want nooit maak ik te schande Kreta's heerlijk huis
en zal voor Theseus' oog niet treden, vuil bevlekt
met zonde, enkel voor 't behoud van ééne ziel!

KOORLEIDSTER

Gij zint dan waarlijk op een onherroeplijk kwaad?

PHAIDRA

't Zal sterven zijn; maar hoe? Daarop bezin ik mij.

KOORLEIDSTER

Stil, zwijg daarvan! Spreek wijs!

PHAIDRA

En gij, geef gij me altans
een goéden raad! Ik echter zal wie mij verderft,
Kupris, genoegen doen, daar 'k sterf, nog dezen dag.
Verslagen door een wreede liefde zal 'k ten onder gaan,
maar ook voor iemand anders zal ik door mijn dood
gedijen tot een onheil. Zóó dan leere hij,
niet trotsch zich te verheffen bij mijn ongeluk!
Wanneer hij van dit leed-van-mij ook krijgt zijn deel,
dan zal zijn hoogmoed keeren tot bescheidenheid.

Zij gaat in het paleis; de slavinnen dragen het rustbed naar binnen.

KOOR

STROFE I

Ach, mocht ik schuilen onder de klippige steilten,
waar mij, gevederden vogel,
een godheid bracht temidden der vliegende scharen!
Dat ik mocht stijgen boven het zilt
der zeeë-vloeden aan Adria's kust
en boven Eridanos' waatren,
waar de arme dochtren van Helios
smartlijk weenden om Phaëthoon
en in de donkere deining neerdruppelden
den barnsteen-glans van heur tranen!

ANTISTROFE I

Ach, ginds, aan de goudappel-kust, kon ik daar komen,
't land van Hesperos' zingende dochtren,
waar de machtige god van het donkerblauw zee-diep
't verder varen den schippers ontzegt
door den onschendbaar gestelden grens
des Hemels, welken Atlas bewaakt.
Daar bruisen onsterflijke bronnen
langs de huwelijkssponde van vader Zeus
en de leven-schenkende, goddlijke grond
verhoogt er 't geluk van de goden!

STROFE II

O, gij, uit Kreta gekomene wit-
vleuglige kiel die door de zee,
luid van botsenden golfslag,
herwaarts voerde onze vorstin
uit hare woning vol zegen:
bruidvaart met droevigsten nasleep!
Stellig omzwermden u heillooze vooglen
van beide landen of zeker uit Kreta,
toen gij vloogt naar het roemrijk Athenai,
tot, vóór Mounichos' rotsige kust,
men, meerend, de kabel-lus aansloeg
en van boord ging ten vasten lande!

ANTISTROFE II

Zoo heeft dan Aphrodite haar
de ziel verwoest door 't hevig leed
van een onheilig liefdevuur,
en, overstroomd tot zinkens toe
door 't allerzwaarste noodgetij,
zal zij in 't bruidsvertrek den strik,
hangende hoog ter zoldering,
snoeren om haren blanken hals,
uit schaamte om haar gruwlijk lot.
Haar voorkeur geeft ze een goeden naam
en zal haar ziel verlossen van
een liefde, door smarten verbitterd.

DIENARES

In het paleis.

Hei, hei!
Helpt, helpt! Gij allen bij 't paleis, komt ons te hulp!
Verhangen heeft zich onze Vrouwe, Theseus' gâ!

KOORLEIDSTER

Wee, wee! Het is gedaan! Die arme koningin,
zij is niet meer; in 't hangen, ach, gesmoord, gestikt!

DIENARES

Binnen.

Haast u dan toch! Heeft niemand een tweesnijdend zwaard,
dat wij daarmee haar hals vrij maken van den strik?

KOORLEIDSTER

Vriendinnen, wat gedaan? Wat dunkt u? Gaan in huis
en uit den knel der lus verlossen de vorstin?

VROUW VAN HET KOOR

Waarom? Zijn dan geen jonge vrouwen bij de hand?
't Is hachlijk dat men zich met velerlei bemoeit.

DIENARES

Binnen.

Legt neder, strekt het lijk der ongelukkige!
Zóó moeten zorgen voor mijn meesters, 't is wel hard!

KOORLEIDSTER

Ik hoor het, ze is gestorven, de rampzaalge vrouw.
Men strekt daar reeds het doode lichaam op de baar.

THESEUS

Hij komt op, het hoofd bekranst met laurier, daar hij terugkeert van een plechtig gezantschap of orakel. - Gewapende mannen volgen hem.

Zegt, vrouwen, wat beduidt dat schreeuwen in 't paleis?
Er kwam van huisbedienden tot mij groot geroep,
en mijn gezin keurt mij, den staatsgezant, niet waard,
dat het de poort ontsluit en vriendlijk mij begroet?
Is Pittheus soms iets overkomen op zijn ouden dag?
Want hij is hoogbejaard reeds, maar dit neemt niet weg,
dat dit ons huis zijn heengaan diep betreuren zou.

KOORLEIDSTER

U trof een bitter lot, maar 't gold geen ouden man,
Theseus! Een jonge doode bracht u groot verdriet.

THESEUS

Een mijner kindren, ach, verloor toch 't leven niet?

KOORLEIDSTER

Zij leven, maar als weezen; o, wat smart voor u!

THESEUS

Wat zegt ge daar? Mijn gade dood? Hoe stierf ze, hoe?

KOORLEIDSTER

Een wurgstrik knoopte zij, waarmee zij zich verhing.

THESEUS

Om een verstarrend leed? Zegt toch hoe 't is geschied!

KOORLEIDSTER

Meer zeggen kan ik niet, want, Theseus, ook ik zelf
ben nog maar even hier, vol rouw om deze uw ramp.

THESEUS

Hij rukt zich den krans van het hoofd.

Ai ai! Wat draag ik op mijn hoofd nog dezen krans
van saamgevlochten blâren, ik, de feestgezant
voor gods-orakels, o, ik zwaar getroffen man!

Roept tot de dienaars die binnen zijn.

Hei, dienaars, weg , de grendelbalken van de poort!
Maakt los de deuren, dat ik 't wreede schouwspel zie
van mijne vrouw, die door haar dood mij 't leven nam!

De groote deur wordt geopend. Op een baar ziet men Phaidra's lijk; daaromheen treurende vrouwen.

KOOR

O, gij, door 't ongeluk zoo zwaar getroffene!
Wat gij geleden en gedaan hebt, gaat zoo ver,
dat gij dit vorstenhuis een puinhoop maakt!
Wee, dat gij dit bestondt! O, welk een lot,
te sterven gewelddadig, goddeloos,
door eigen hand gemarteld!
Wie, arme, doofde uw levenslicht tot duisternis?

THESEUS

O, dit verdriet! Wee mijner! O mijn stad!
Van al mijn ongeluk is dit het grootst!
O, Noodlot, hoe bezocht gij mij en ook mijn huis!
Hoe bracht een Geest der Wrake onverwachten smet!
Mijn leven, neen, het is geen leven; 't is vernield!
Ik, arme, zie rond mij een zee van ongeluk,
zoo groot, dat ik terug haar niet ontzwemmen kan,
noch ooit mij heensla door de golven van dit leed!
O, vrouw, hoe zal 'k uw dood, hoe uw zoo smartlijk lot
geven den waren naam, ik ongelukkige!
Heen zijt gij, als een vogel uit mijn hand ontsnapt,
plots weg gestormd, wee mij, naar Hades' schimmenrijk!
Ach, ach, wat smart is dit, hoe groot een smart!
Van verre tijden her was mij dit lot bestemd,
daar iemand van mijn vaderen misdadig was!

KOORLEIDSTER

Geloof me, o, vorst: dit kwaad kwam niet alleen tot u:
Een eedle vrouw te derven, 't is zoo veler lot!

THESEUS

Weg wil ik, hiervandaan, weg in de duisternis
van onderaardschen nacht, ik, ongelukkige,
nu 'k mis het allerliefste samen-zijn met u!
Want erger dood sterf ik dan dien gij zelve stierft!
Wie die 't verklaart? Hoe drong dit stervensplan
toch in uw hart, o diep rampzaalge vrouw!

Tot de bedienden.

Zeg mij, hoe ging dit toe, of geeft dit koningshuis
aan zulk een troep bedienden onderdak voor niets?
Wee mij, wee mij, om u! Ellendig ik,
die zulk een rouw moet zien in mijn gezin,
ondraaglijk, onuitspreeklijk. Dit's mijn dood!
Leêg is mijn woning en mijn kroost verweesd!
Ai, ai, verlaten, ach, verlaten hebt ge mij,
mijn lieve vrouw, gij, allerbeste op wie
de lichtstraal van de zon
en 't nachtlijk sterreglanzen nederziet!

KOOR

Wat voor een groote ramp, ach, arme, trof uw huis!
Nat worden mijn oogen, zij storten
een stroom van tranen om uw lot,
en lang reeds beef ik voor 't volgende kwaad.

THESEUS

Bij de baar.

O mij!
Wat hang daar in haar lieve hand voor een geschrift?
Wat kan dit zijn? Beduidt het eenig nieuws wellicht?
Schreef de ongelukkige mij soms een laatst verzoek?
Heeft zij een wensch omtrent ons huwlijk en ons kroost?
Och, arme, wees gerust; tot Theseus' legersteê
noch huis komt ooit een andre gade, wie het zij.
Acht zie, de stempelteekens van den gouden ring
der heengegane groeten me als met lieven lach!
Komaan, ik maak de koorden van het zegel los,
opdat ik wete wat de brief mij zeggen wil.

KOOR

Wee, dit's een nieuwe ramp die nu een god ons brengt
als een vervolg op d'andre. Ik tenminste ducht,
na 'tgeen geschiedde, een leven dat geen leven heeten mag.
Want ach, ons koningshuis, het ging te niet,
het is ermeê gedaan! Wee mijner, wee!

KOORLEIDSTER

O, goden, mag het zijn, brengt niet dit huis ten val,
maar geeft mijn beê gehoor! Want, als een wichelaar,
zie ik van zeekre zijde dreiging van ongeluk!

THESEUS

Wee, mij! Hoe voegt zich ongeluk bij ongeluk,
ondraaglijk, onuitspreeklijk! O, rampzalig, ik!

KOORLEIDSTER

Wat is het? Zeg het mij, indien ik 't weten mag.

THESEUS

Die brief schreeuwt, schrééuwt verderf! Waar berg ik mij
voor dit verplettrend onheil! 't Is met mij gedaan,
want, o, wat zag ik! Welk, o, welk een lied
klinkt uit dit letterschrift mij, arme, tegemoet!

KOORLEIDSTER

Ach, ach! Gij spreekt een woord dat ongeluk voorspelt!

THESEUS

Dit onontkoombaar, dit mij doodend kwaad
houd ik niet binnensmonds meer. O, mijn stad!
Hippolutos heeft het gewaagd, mijn huwelijksbed
te schenden, zonder eerbied voor Zeus' godenblik!
Welaan, Poseidon, vader, eenmaal stondt gij mij
drie beden toe; wil dan met ééne ervan mijn zoon
vernietigen! Ik bid u: moog hij dezen dag
niet overleven! zoo ge in trouw die beden schonkt!

KOORLEIDSTER

Mijn koning, om godswil, herroep dit vloekgebed,
want weldra zult ge uw dwaling inzien; volg mijn raad!

THESEUS

Neen, neen! Ja, meer: ik ban hem ook nog uit dit land.
Treft hem dan 't eerste lot niet, 't andre slaat hem neer.
Want óf Poseidon zendt uit eerbied voor mijn vloek
hem, dood, naar Hades' rijk, óf, uit dit land gevlucht,
zwervend op vreemden grond, zal hij tot aan zijn dood
een schandlijk leven leiden van armzaligheid!

KOORLEIDSTER

Zie; te geschikter tijd is daar uw jongen zelf,
Hippolutos; betoom uw booze drift , mijn vorst,
en overweeg wat voor uw huis het wenschlijkst is!

HIPPOLUTOS

Begeleid door eenige makkers.

Ik hoorde uw luide stem, mijn vader, en in haast
ben ik naar hier gekomen; 'k weet niet wat het is,
dat u thans klagen doet; 'k vernam het graag van u
- O, wat is dat? Wat moet ik zien? Uw gade, dood!
Dat is verbijstrend! Zij, die ik zoo juist verliet!
Wier oogen nog zoo even straalden in dit licht?
Wat is haar overkomen? Hoe vond zij den dood?
Ik wil dit van u hooren, vader. Zeg het mij!
Bij kwade dingen helpt verzwijgen niets.
Het hunkrend menschenhart, dat álles hooren wil,
verraadt hoe 't is belust ook op het slechte nieuws.
Het is niet goed, mijn vader, dat ge uw moeilijkheên
verheelt voor wie uw vrienden, ja, uw naasten zijn!

THESEUS

O, menschendom, dat zooveel bestreeft en al om niet!
Waarom bekwaamt gij u in kunsten duizendvoud,
maakt wondren van vernuft en vindt van alles uit,
maar één ding kunt gij niet, hebt het nog níet bejaagd:
karakterlooze dwazen leeren wijs te zijn!

HIPPOLUTOS

Dat ware een bijster knap sofist, die 't vak verstond,
dat hij onwijzen wist te dwingen, wijs te zijn!
Maar, vader, voor een fijn betoog is 't nu geen tijd.
Ik vrees, uw tong slaat door van louter droefenis.

THESEUS

O, was er slechts een duidlijk kenmerk, eenig blijk,
waardoor men 't hart van vrienden zuiver peilen kon,
wie waarlijk is oprecht, wie vriend alleen in schijn!
En mocht elk mensch bedeeld zijn met een dubble stem,
d'eene waarachtig, eerlijk; d'andre naar het viel,
opdat die kwaad beraamde als valsch ontmaskerd werd
voor de waarachtige, en bedrog ons verre bleef!

HIPPOLUTOS

Heeft soms een van mijn vrienden aan uw oor gereld
met lasterpraat en moet ik daarom lijden, schuldeloos?
Voorwaar, ik sta verbluft. Want deze taal van u,
zoo vreemd, zoo buitensporig, zij verbijstert mij!

THESEUS

Wee, wat er leeft in menschen! Hoe ver zal dit gaan?
Waar is de grens die stuit drieste vermetelheid?
Want als die aanzwelt van geslacht tot nieuw geslacht,
en 't laatre 't vroegre troeft in onbeschaamden durf,
dan moet de godheid zorgen dat bij de aarde-hier
nog komt een andre, die aan boeven ruimte biedt!

Hij keert zich tot Hippolutos.

Daar, ziet hem aan! Mijn eigen zoon, mijn eigen bloed.
Mijn huwelijksbed heeft hij onteerd; de doode zelf
bewijst maar al te klaar, wat voor een schurk hij is!

Tot Hippolutos die zijn gelaat heeft afgewend.

Kom, zie, nu ik den smet van uw aanwezigheid
niet mijden kon, uw vader recht in het gelaat!

Hippolutos keert zich weer tot Theseus.

Zijt gij dus de uitverkorene, die omgang heeft
met goden? Wijs en deugdzaam gij? Gij rein van kwaad?
Neen, aldie pocherij van u verleidt mij niet,
dat ik aan goden toeschrijf zúlk een onverstand.
Zet nu een hooge borst, draai met uw vastenspijs
een rad ons voor het oog, ken Orpheus als uw heer!
Bedwelm u! Eer den damp van boeken zonder tal!
Vergeefs! Ge zijt betrapt, en 'k roep een ieder toe:
Mijd lieden van dit slag, want met hun vrome taal
verstaan ze 't u te vangen, maar zij broeden kwaad!
Zie, zij is dood! Ge denkt dat dit u redden zal?
Niets pleit méér tegen u, o, gij, ellendeling!
Want wat voor soort van eed, welk woord is krachtiger
dan zij, zoodat ge ontsnapt aan haar beschuldiging!
Zeg vrij dat zij u haatte en dat wie bastaard is,
als vijand slechts kan gelden voor het echte kroost;
dan gaf ze toch in slechten ruilkoop 't leven weg,
zoo ze enkel om dien haat van 't liefste afstand deed.
Wilt ge beweren dat ontuchtigheid niet zit
in mannen, maar de vrouwen ingeboren is?
Ik ken dan jongelieden die niet vaster staan
dan vrouwen, als hun Kupris 't jonge hart verwart.
Maar, 't is voor hen een voordeel dat zij mannen zijn!
Doch waarvoor dient het dat ik nog uw woord weerleg,
nu hier dit lijk als stelligste getuige ligt.
Vertrek zoo snel ge kunt als balling uit dit land
en richt uw schreden niet naar 't god-gebouwd Atheen,
noch ergens waar mijn oorlogsspeer nog macht bezit.
Want als ik na zoo'n smaad voor u de zeilen strijk,
dan schreeuwt nog Sinis van den Ishtmos, dat ik nooit
hem heb gedood maar als een ijdeltuit gebluft,
en Skiroon's zee-bespoelde klippen zullen dan
nog loochnen, dat ik slechtaards een verschrikking ben!

KOORLEIDSTER

Ik weet niet meer, hoe ik nog éénig sterveling
gelukkig prijzen kan, want alles loopt verkeerd!

HIPPOLUTOS

Uw felle woede, vader, uw oploopendheid
is iets verschrikklijks, maar wanneer men deze zaak,
zoo schoon bepleit, uiteenvouwt, blijkt de grondslag voos!
Het is mijn zaak niet, vlot te spreken voor het volk.
Bij vrienden gaat dit beter en in kleinen kring.
Maar 't heeft zijn goeden grond, want wie een stumper is
bij wijzen, is een held in 't spreken voor 't publiek.
Nu echter kwam dit ongeluk, en noodzaak dwingt,
dat ik van antwoord dien. - Ik ga van dit punt uit,
dat gij mij te overromplen dacht in het begin,
als iemand die tot tegenspraak onmachtig was. -
Ziet ge deez' aarde en 't licht? Daar is geen enkle man,
ook al ontkent gij dit, die reiner is dan ik!
'k Weet dat ik allereerst de goden vroomlijk dien,
en omgang heb met vrienden, wars van min bejag,
wien 't eergevoel verbiedt, te drijven tot iets kwaads
en op hun beurt te helpen bij wat schandlijk is.
Met mijn gezellen, vader, drijf ik niet den spot.
Of zij nabij of ver zijn, 'k blijf hun die ik ben.
En als er één ding is, waar ik geen deel aan heb,
't Is dat, waarop gij thans mij te betrappen waant.
Want tot op dezen dag ben 'k altijd kuisch geweest.
De liefde en haar praktijk, ik ken haar anders niet
dan uit verhalen en schildrijen die ik zag,
en die met aandacht te beschouwen laat mij koud,
omdat de maagdlijkheid mij ingeboren is.
Lijkt u mijn zedigheid niet overtuigend soms?
Toon mij dan aan, hoe 't kwam, dat ik bedorven werd.
Was 't, doordat zij al d' andre vrouwen overtrof
in schoonheid? Of, omdat ik hoopte op uw troon,
als 'k met uw bed ook uw bezit bemachtigd had?
Ik zou een zot zijn met geen greintje van verstand!
Maar koning-zijn is heerlijk! Voor verstandigen
wel allerminst! Elk stervling die behagen schept
in opperheerschappij, heeft eerzucht 't brein gekrenkt.
'k Zou graag als eerste schittren in athleten-spel,
maar in de stad, als tweede, 't liefst in stil geluk
altijd met d' edelsten vriendschapplijk samenzijn.
Want werk is er volop, en 't onbedreigd bestaan
verschaft een vreugde, grooter dan het koningschap.
Ziedaar, wat 'k zeggen wilde; alleen dit ééne nog:
Zoo iemand kon getuigen, wat voor mensch ik ben,
en ik hier pleitte en streed, terwijl zij 't licht nog zag,
dan kon door feiten blijken, wie hier schuldig zijn.
Maar nu, bij Zeus, den god des eeds, en bij deez' grond,
wil 'k zweren, dat ik nooit uw gade heb aangeraakt,
noch ooit dit zou verlangen, ooit verzinnen zou!
Ja, roemloos mag ik sterven, zonder schijn van naam,
als balling 's lands ronddolen, zonder stad en huis,
en als ik ben gestorven, moge zee noch land
mijn lichaam tot zich nemen, zoo 'k een deugniet ben!
En zij, of zij uit vrees het leven zich benam,
ik weet het niet; mij voegt niet, hierop in te gaan.
zij hield de reinheid hoog, maar rein zijn kon zij niet.
Ik kon het wel, maar 't heeft mij weinig goeds gebracht.

KOORLEIDSTER

Genoeg hebt gij gezegd ter verontschuldiging.
Uw zweren bij de goden is een sterk bewijs.

THESEUS

Híj geen bedrieger, híj geen vuige tovenaar?
Die mij, zijn vader, eerst beleedigt en daarna
mij te overwinnen denkt door zijn gelatenheid?

HIPPOLUTOS

Dat moet ik zeer bewondren, vader, juist in u,
want zoo ík ware uw vader, gíj mijn eigen zoon,
'k trof niet u met verbanning; dooden zou ik u,
als gij gewaagd hadt, aan mijn vrouw uw hand te slaan!

THESEUS

Dat was een waardig woord! Nu, sterven zult gij ook,
maar niet zooals gij voor uzelf hebt vastgesteld.
Een snelle dood is voor een schelm de lichte straf.
Neen, als balling zwervend buiten 't vaderland,
zult ge in den vreemde leven, lijdend tot het eind!

HIPPOLUTOS

Wee mij, wat gaat ge doen? Niet wacht gij of de tijd
mij schuldig wijzen zal en stoot mij uit het land?

THESEUS

Ja; als ik kon, den grens van Atlas ver voorbij,
tot over d' Oceaan, zóó haat ik uw gezicht!

HIPPOLUTOS

Geen eed, geen vogelvlucht, geen spreuk van wichelaars
hebt gij bevraagd en werpt mij zomaar uit het land?

THESEUS

De brief-hier houdt geen teekens van een wichlaar in;
hij tijgt u aan met klaar bewijs! De vogels die
ons fladdren boven 't hoofd, onzin! Ik lach er om!

HIPPOLUTOS

O, goden! Waarom nog verzwijgen wat ik weet,
ik, die, door u te ontzie, mijzelf te gronde richt!
Maar neen: vergeefs zou 'k ontrouw worden aan mijn eed,
want vond daar, waar het moest, toch allerminst geloof.

THESEUS

O, o! Hoe mij dat vroom gefleem van u vermoordt!
Zoudt ge niet weggaan uit mijn land, zoo snel gij kunt?

HIPPOLUTOS

Waarheen, ik, arme! Wee, vind ik, vluchteling,
bij vreemden onderdak, van zulk een daad beticht?

THESEUS

Daar, waar men voor genoegen gasten haalt in huis,
die vrouwen schenden en bewerkers zijn van kwaad!

HIPPOLUTOS

Ai, ai!
Dit raakt mij in het hart en weenen zou ik haast,
dat ik moet doorgaan voor een booswicht, zelfs voor u!

THESEUS

Had dit vooraf bedacht, gejammerd en geklaagd,
toen gij uw aanslag waagde op vaders bedgenoot!

HIPPOLUTOS

O, huis, o, zalen! Och, of gij uw stem verhieft
en voor mij tuigen woudt, of ik een zondaar ben!

THESEUS

Wel, slim die toevlucht tot getuigen zonder stem!
maar hier uw werk dat zwijgt, een zondaar scheldt het u!

HIPPOLUTOS

O, mocht ik tegenover mij mijzelf zien staan!
Hoe zou ik weenen bij 't aanschouwen van zulk leed!

THESEUS

Ja, g' hebt op zelfvereering u meer toegelegd
dan op den eerbied voor uw ouders, naar uw plicht.

HIPPOLUTOS

O, arme moeder! O, ellendige geboort!
Moog niemand van mijn vrienden ooit een bastaard zijn!

THESEUS

Tot zijn dienaren.

Toe, kerels, grijpt g' hem niet? Heb ge al niet lang gehoord,
hoe ik verklaard heb, dat die man verbannen is?

HIPPOLUTOS

Wie 't waagt, mij aan te raken, het bekomt hem slecht!
Als gij den moed hebt, werp dan zelf mij uit dit land!

THESEUS

Dat zal ik ook, als gij niet handelt naar mijn woord,
want meêlij met uw ballingschap bekruipt mij niet!

Theseus gaat naar binnen; de poort wordt gesloten.

HIPPOLUTOS

Het schijnt wel, 't is beslist. O, ik rampzalige,
daar ik de waarheid weet, maar die niet zeggen kan!

Hij wendt zich tot het beeld van Artemis.

O, Lato's dochter, mij de liefste aller goôn,
mijn jachtgenoote, mijn vriendin, ik moet voortaan
't vermaard Athenai mijden. Vaar dan wel, o, stad
en land van Pallas! En gij, vlakte van Troizeen,
gezegend oord voor jeugd, rijpend tot manbaarheid,
vaarwel, want 't is voor 't laatst dat ik u zie, u groet.

Tot zijn vrienden.

O, jongelingen, mijn gezellen in dit land,
komt, spreekt mij nog eens toe en leidt mij uit van hier,
want rein ben ik, zóó, als gij nooit een andren man
meer zien zult, al meent vader, dat het niet zoo is.

Hij gaat heen, gevolgd door zijn makkers.

KOOR

STROFE I

Waarlijk, der goden voorzienige zorg, als die komt in mijn denken,
matigt grootlijks mijn kommer,
maar, schoon heimlijk nog hopend op eenigen hoogeren saamhang,
sta ik vereenzaamd, als ik het lot beschouw en de werken des stervlings,
want wissling houdt beurte met wissling,
en 's menschen bestaan is verandring,
een doolhof van hopeloos zwerven.

ANTISTROFE I

Mocht op mijn bede de Moira mij dit godshalve verleenen:
een lot dat zegen mij brengt
en een hart, niet door smarten gehavend!
Moge ik noch over-angstvallig noch trouweloos zijn in mijn denken
en met vlotheid mijn oordeel
den volgenden dag weer herziende,
stadig leven in voorspoed!

STROFE II

Want niet gerust is mijn hart meer, nu ik mijn hoop zie bedrogen
en den roem van Athenai,
Hellas' helderste ster,
zag, o, zag door zijn vaders toorn
verjagen naar andere landen.
O, zandige vlakten aan vaderlands kust,
en woudgebergt waar hij velde het wild,
geholpen door haastende honden,
aan de zijde van heilge Diktunna!

ANTISTROFE II

Nooit meer zult gij bestijgen uw span Venetische rossen
en Limnè's renbaan rondomme
doen dreunen van rofflenden hoefslag,
En 't slapeloos lied, dat zong van de liersnaar,
zwijgen zal het in 't huis van uw vader.
In de diepten van groen, waar Lato's kind
zich gaarne verpoost, glanst nu nergens een krans meer,
en om uw bed is geen strijd van verlangende
maagden, sinds gij verjaagd zijt.

NAZANG

En ik, om uw ongeluk tranen vergietend
zal slijten een leven van droefheid!
Ach, arme moeder, 't was nutteloos,
dat gij gebaard hebt! - Wee mij, wee mij!
Met de goden waag ik te twisten!
O, o, gij Chariten, drietal,
die knoopt de lieflijkste banden!
Waarom toch ver van zijn vaders land
den arme die nooit eenig kwaad deed,
gedreven weg uit deez' huizing!

KOORLEIDSTER

Daar zie ik een der dienaars van Hippolutos.
Hij kijkt bedroefd en komt met spoed naar het paleis.

BODE, een rijknecht

Gij, vrouwen, weet gij ook, waar 'k Theseus vinden kan,
den vorst des lands? Mocht gij het weten, zegt het mij.
Is hij wellicht hier binnen, in den koningsburcht?

Theseus verschijnt.

KOORLEIDSTER

Daar is hij zelf en komt getreden uit het huis.

BODE

Theseus, ik breng een tijding, vol van leed, voor u
en al de burgers die er wonen in de stad
Athenai en 't Troizeensche land, zoo ver het strekt.

THESEUS

Wat is het? Is het d'een of andre ramp misschien,
die beide zustersteden plots getroffen heeft?

BODE

Hippolutos, om kort te gaan, hij leeft niet meer.
Hij ziet nog wel het daglicht, maar ternauwernood.

THESEUS

Wie deed dat? Iemand soms, wiens haat hij heeft gewekt,
daar hij diens vrouw, als die van d' eigen vader, schond?

BODE

Zijn eigen wagenspan heeft hem den dood gebracht,
en dan de vloek, dien gij uw vader, heer der zee,
met eigen mond voor uwen zoon hebt afgesmeekt.

THESEUS

O, goden, en o, gij, Poseidoon, 't is dus waar,
dat gij mijn vader zijt, daar gij mijn bede en vloek
zoo gunstig hebt verhoord!

Tot den Bode.

Toe, zeg, op welk een wijs
hij omgekomen is. Hoe heeft Gerechtigheid
hem met haar knots getroffen, die mij schande bracht?

BODE

Wij waren bezig dicht bij 't golf-beloopen strand
en rosten onze paarden; tranen vloeiden mild,
want iemand had gemeld, dat prins Hippolutos
nooit meer zou keeren in dit land, daar gij hem stoot
in droeve ballingschap. Daar kwam hij zelf op 't strand
en voegde bij het onze 't eigen tranenlied.
Een overgroote schare volgde hem op den voet:
ál vrienden, jong als hij; maar eindelijk dan toch
was hij zijn snikken meester, en toen klonk zijn woord:
" Waarom mijzelf door smart zoo van de wijs gebracht? "
Aan vaders woord is niet te ontkomen. Mannen, toe,
fluks voor den wagen met de paarden! Spant ze in!
Want deze stad, dit land, behooren mij niet meer! "
Toen repte zich een elk, en sneller dan dat woord
gezegd was, brachten wij de paarden, opgetuigd,
vóór onzen meester. Van den wagenrand grijpt hij
de teugels in de hand en schuift dan, op den vloer,
den voet recht in de blokken, om goed vast te staan.
Maar daarop hief hij eerst zijn handen naar omhoog
en biddend sprak hij: " Zeus, zoo ik een booswicht ben,
dan moge ik niet meer zíjn! En wete vader eens,
'tzij ik gestorven ben, of nog het licht aanschouw,
welk onrecht hij mij doet! " En mét , den zweep ter hand,
joeg hij de paarden voort. En wij, de knechts, dicht bij
den wagen en de teugels, volgden onzen heer,
rechtuit, op Epidauria en Argos aan.
En nauwlijks aangeland in een verlaten streek,
- er is aan gene zij der grenzen van ons land
een kust, die met haar rotsen helt in Saroon's zee -
klonk, als Zeus' donder, óp uit aarde's grond
een zwaar en dog gegrom, een stem die huivren deed.
Den kop en de ooren opgestoken in de lucht,
stonden de paarden. Schrik, geweldig, ons beving,
waar dat geluid vandaan kwam. En den blik gericht
ter zeekust, waar het bruiste, zien we, goddelijk,
een golfberg steil verrijzen, die den hemel stut!
De klip van Skiroon werd onttrokken aan ons oog;
schuil dingen d' Isthmos en de rots Asklèpios;
en dan, aanzwellend en in plets-slag massa's schuim
rondom zich spreidend, door 't opzwalpen van de zee,
liep hij omhoog, het strand op, waar het vierspan was.
En , in het felst der branding, bij de derde baar,
wierp hij een stier aan land, een ijselijk gedrocht.
Vol werd de gansche landstreek van zijn woest gebrul
en brulde weder, huivringwekkend! Maar wie keek,
aanschouwde iets, wat geen menschlijk oog verduren kon!
Onmiddlijk greep een wilde schrik de paarden aan,
maar onze meester, goed vertrouwd met paard-dressuur,
rukt met twee handen snel de teugels straf en trekt,
zooals een roeiend varensman de riem hanteert,
hangend naar achtren, om zijn lijf den toom gesnoerd.
Doch zij, de tanden vast op 't vuur-geharde bit,
sloegen op hol, niets gevend om de hand aan 't roer,
niets om de paardestrengen of het wagenjuk!
En stuurde hij met vaste vuist hun loop opzij,
naar mullen grond, dan was daar vóór hen plots de stier,
die 't vierspan, dol van angst, terugge dreef.
En als zij razend zijwaarts renden naar de rots,
kwam hij geluidloos naderbij en volgde steeds.
Tot eindlijk hij de kar opstootend kantlen deed,
daar op een rotsblok botsende de radvelg brak.
't Werd alles één verwarring: van het wielgestel
sprong, los van de assen, naaf en spie hoog in de lucht.
En hij, die arme, in de teugels vast gestrikt
door niet te slaken band en boei, werd voortgesleept.
Het lieve hoofd, het schuurde langs het rotsgesteent,
gebroken werd zijn lichaam, maar toch riep hij nog: -
't Was vreeslijk om te hooren - "Staat, mijn paarden, stáát!
Gij, aan mijn kribben steeds gevoêrd, verdelgt mij niet!
O, die rampzaalge vloek van vader! Is hier géén,
die zulk een doem-beladene verlossen kan?"
Maar schoon wij velen waren en bereid tot hulp,
wij waren zoo ver achter! Plotsling, 'k weet niet, hoe,
bleek hij ontboeid van leer en leizeel, en hij viel.
En ja, een luttle levensadem restte hem nog.
Maar in den schoot der bergen, 'k weet niet, waar, verdween
het span der paarden en het heilloos stiergedrocht.
Ik ben slechts een der slaven van uw huis, mijn vorst,
doch dit staat vast: nooit zal ik van uw zoon
gelooven kunnen, dat hij slechte dingen deed,
zelfs niet, zoo 't gansch geslacht der vrouwen zich verhing,
of zoo men al het hout, dat op berg Ida groeit,
vol schreef met laster, want ik weet; hij wás oprecht!

KOORLEIDSTER

Wee, wee! Het leed van nieuwe rampen wordt voltooid
en onontkoombaar is wat Noodlots dwang beschikt!

THESEUS

Daar ik den man moet haten, wien dit overkwam,
verheugden mij uw woorden, maar uit eerbied voor
de godheid en voor hem ook, want hij blijft mijn zoon,
kan ik noch vroolijk zijn, noch treurig om dit kwaad.

BODE

Wat nu? Moet de ongelukkige hierheen gebracht,
of waarmee anders kunnen we u behagen, heer?
Bezin; maar zoo gij handlen wildet naar mijn raad,
gij zoudt niet al te wreed zijn voor uw arme kind.

THESEUS

Goed, brengt hem hier, opdat ik hém in de oogen zie,
die loochent dat hij ooit mijn bed heeft aangeraakt,
en door mijn woord en 't oordeel gods zijn schuld bewijs.

De bode gaat heen.

KOOR

Gij zijt het die 't stugge hart van sterflijke menschen en goôn
bedwingt, o, Kupris, en met u
de bontgevleugelde die om hen heen
met suizende snelheid vliegt.
Zijn vlucht gaat over de aarde en het zilt
der zoet doorzongen zee.
Eroos betoovert elks harte tot razens toe,
als hij 't bestormt, aanvliegend in goudglans.
Wat leeft op de bergen, wat woelt in de waatren,
al 't jonge gediert dat Aarde met spijze voedt
onder Helios' vlammende blikken,
en het menschdom ook; over allen
heerscht gij, Kupris, koningin,
en niemand anders dan gij!

ARTEMIS

Zij is onder den koorzang stil genaderd.

U, hoog-edele zoon van Aigeus, ik zeg u aan:
hoor naar mijn woorden!
Artemis, Lato' s dochter, zij spreekt tot u!
Theseus, verdwaasde, hoe kan 't u verheugen,
dat gij uw zoon zoo schendig gedood hebt!
De leugens der bedgenoot blijkloos geloovende
kwaamt gij, nu blijkt het, ten val!
Waarom niet onder den grond in den Tartaros
vol schaamte u verscholen?
Of getracht, op vleugelen, hoog in de lucht,
in een ander bestaan deze ellende te ontvliên?
Want gij verwierft u geen enkel recht
om te leven onder de goeden.

Hoor, Theseus, hoe 't gesteld is met uw ongeluk,
al zal dit niets verhelpen maar u pijnlijk zijn.
Ik kwam hierheen, opdat uw zoon als man van eer
zal kunnen sterven, want zijn onschuld toon ik u,
ook, hoe uw vrouw, schoon wild van hartstocht, niet te min
in zeekren zin van zieleadel blijken gaf,
want in het hart gebeten door de schicht van haar,
die onder alle goden 't hevigst wordt gehaat
door ieder onzer wie een maagdlijk leven lust,
werd ze op uw zoon verliefd. Zij heeft haar best gedaan,
die liefde te overwinnen door bezonnenheid,
maar kwam haars ondanks door der voedster list ten val,
die uwen zoon den eed afdwingend dat hij zweeg,
verried, waaraan zij leed. Hij echter heeft terecht
haar voorstel niet gevolgd en, hoe verongelijkt
door u, zijn eed gehouden als godvreezend man.
Maar zij, uit angst voor opspraak, heeft hem aangeklaagd
met een geschrift vol leugens en zóó, door bedrog,
uw zoon gedood. En evenwel hebt g' haar geloofd!

THESEUS

Wee mij!

ARTEMIS

Stéékt, Theseus, u dit woord? Kom, blijf bedaard,
daar gij nog meer zult jammren, zoo gij verder hoort:
Heeft niet uw vader u drie wenschen toegestaan?
Nu, één daarvan hebt gij, onzaalge, aan uw zóón
verspild, hoewel 't u vrijstond dat ge een vijand troft.
De god der zee, uw vader, gaf in reedlijkheid
hetgeen hij geven moest, omdat hij 't had beloofd.
Maar gij, gij staat als zondaar tegenover hem en mij,
daar gij niet wachttet op bewijs noch op de stem
van wichlaars, niets hebt onderzocht, noch aan den tijd
het oordeel gunde, maar veel haastiger dan moest,
uw kind vervloekte en oorzaak van zijn sterven werdt!

THESEUS

Godinne, ach, mocht ik sterven!

ARTEMIS

Vreeslijk was uw daad,
maar toch is nog vergiffnis mooglijk ook voor u,
want Kupris was 't, die wilde dat dit is geschied,
tot stilling van haar wrok. Maar dit' s der goden wet:
Geen onzer wil weerstreven wat een ander wenscht;
steeds houden we ons terzij. Doch weet dit wel: was 't niet
uit vrees voor Zeus, tot zulk een schande kwam ik nooit
dat ik hém sterven liet, die mij het allerliefst
van alle menschen is. - Wat aangaat uw vergrijp,
vooreerst pleit uw onwetendheid u vrij van schuld,
en verder heeft uw gade' s dood den toets belet
van haar betichting en zoo heeft ze u overtuigd.
Dit ongeluk is 't meest verpletterend voor u,
maar pijnlijk ook voor mij, want goden juichen niet,
wanneer de vromen sterven, doch wie zondaars zijn
verderven wij, ja zelfs hun kroost en 't nageslacht.

KOORLEIDSTER

Zie de' ongelukkige, daar komt hij aan,
't blondlokkig hoofd en het jeugdige lichaam
deerlijk misvormd. O, zware beproeving!
Hoe viel een dubbele smart op deez' huizinge
door de beschikking der goden!

HIPPOLUTOS

Hippolutos, bloedend en verminkt, wordt tot voor het paleis gedragen.

Ai, ai, ai, ai!
Rampzalig ik, mishandeld, geschonden
door zondigen vloek van een zondigen vader!
Verloren ben ik, o wee mij!
Scherpe pijnen doorschieten mij 't hoofd
en kramp doorschiet mij de hersnen.
Staat stil! ik bezwijk. Geef wat rust mij!

De dienaars zetten de baar even neer.

O, hatelijk span! Gij paarden die 'k zelf
heb gevoêrd met mijn hand!
Verderf bracht ge mij, vermoord hebt ge mij!

Tot de dienaars, die weer verder gaan.

Wee, mannen, om godswil, voorzichtig toch,
als uw hand mijn schrijnende huid raakt!
Wie staat aan mijn zij, aan den rechterkant?
Behoedzaam in 't tillen! Draagt zonder geschok
mij, god-verlatene, vloek-beladene
door vaders verdwazing! Zeus, Zeus, ziet gij dit?
Ik ben 't, de vrome, die de goden vereert,
ik, die in kuischheid allen te boven ging,
ga naar den Hades, ik zie het:
Mijn leven is grondig vernietigd,
en vergeefs heb ik, godvreezend man,
me uitgesloofd ten bate van andren!
Daar komt het weer, die pijn, die pijn!
Láát me, verlaat mij, onzalige!
Kwam de Dood toch als mijn verlosser!
O, maakt een eind, maakt af den ellendige!
Ach toe, laat een tweescherpe lans met zijn lemmer
mij klieven, dat 'k eindelijk rust vind!

De dienaars laten hem liggen en gaan terzijde. Hippolutos ziet Theseus.

O, vloek van mijn vader, wat bracht gij een leed!
Iets slechts van magen, bloedbesmet,
van vaadren uit den ouden tijd,
komt opgedoken, men stuit het niet,
en op mij komt het neer! -
Maar waarom op mij, die schuldloos is?
Wee mij! Wat te doen?
Hoe kan ik mijn leven bevrijden
van deez' onbarmhartige foltring!
O, mocht het nachtzwarte noodlot
van Hades mij, arme, doen slapen!

ARTEMIS

Zij staat achter hem.

O, lijder, welk een leed was u tot metgezel!
Het is uw eedle inborst, die verderf u bracht.

HIPPOLUTOS

Wat nu?
O, geur van goddlijke' adem! Ja, hoe fel de pijn
mij kwelt, ik voelde u komen; o, verademing!
Is Artemis in mijn nabijheid, de godin?

ARTEMIS

Ja, arme jongen, zij die ù mint boven al!

HIPPOLUTOS

Ziet gij, mijn meesteresse, hoe ik lijden moet?

ARTEMIS

Ik zie 't, maar tranen hierom schreien voegt mij niet.

HIPPOLUTOS

Het is gedaan, uw jachtgenoot, uw dienaar sterft.

ARTEMIS

Hij sterft, maar als mijn beste vriend verlaat gij mij.

HIPPOLUTOS

Nooit temt hij meer een paard, nooit tooit hij meer uw beeld!

ARTEMIS

Kupris, die onderneem-al, heeft het zoo gewild.

HIPPOLUTOS

Wee mij! Nu is 't mij duidlijk, welke god mij doodt!

ARTEMIS

Zij wrokte om haar eer, zij haatte uwe deugd.

HIPPOLUTOS

Zij, ééne, bracht ons drieën, zie ik, in 't verderf.

ARTEMIS

Ja, u, uw vader, en als derde nog zijn gâ.

HIPPOLUTOS

Och, hoe betreur ik ook mijn vaders ongeluk!

ARTEMIS

Hij was verbijsterd, naar 't een godheid had beschikt.

HIPPOLUTOS

O, arme, arme vader, om een ramp, zoo groot!

THESEUS

Ik ben verloren, kind. Ach, waarom leef ik nog!

HIPPOLUTOS

'k Beklaag ú meer om deze dwaling dan mijzelf.

THESEUS

Ach, jongen, dat ik sterven mocht in plaats van u!

HIPPOLUTOS

O, 't wreed geschenk van uwen vader, Poseidoon!

THESEUS

Ach, had slechts nooit die vloek mijn lippen aangeroerd!

HIPPOLUTOS

Waarom? Dan hadt gij in uw woede mij gedood!

THESEUS

Ja, want een hoogre macht had mij den geest verward.

HIPPOLUTOS

O, dat de vloek eens stervlings goden treffen kon!

ARTEMIS

Neen, zwijg! Want onder de aarde zelfs, in 't rijk des doods
zal de ijverige haat van Kupris, de godin,
niet straffeloos zijn losgebroken over u,
alleen omdat gij goed waart. Neen, met eigen hand
zal ik met deze pijlen, die geen mensch ontwijkt,
mij op een ander wreken, haar het liefst van al!
Maar, zwaar beproefde, u vergeld ik al dit kwaad
door de allerhoogste eer in dit Troizeensch gebied,
want elke jonge maagd zal, vóór zij huwen gaat,
een haarlok aan u wijden; tot in lengt van tijd
gewordt de schatting u van tranen zonder tal,
voortdurend zullen meisjes als een heilge plicht
in zangen u herdenken en nooit zal de min
van Phaidra jegens u roemloos verzwegen zijn!
Maar gij, o, zoon van de' ouden Aigeus, neem uw kind
in uwe armen, kus hem, druk hem aan uw borst,
want onvrijwillig werdt gij oorzaak van zijn dood,
en dwalen is natuurlijk, zoo een god dit wil.
En u, Hippolutos, wil 'k raden: voed geen wrok
tegen uw vader, want uw dood was voorbeschikt!
Vaarwel! Want dooden zien, dat voegt mij niet, en nooit
beroer' de zucht eens stervenden mijn aangezicht!
En 'k zie, dit droevig einde zijt gij reeds nabij.

Zij wordt onzichtbaar.

HIPPOLUTOS

O, zegenrijke Maagd, ik zeg u ook vaarwel!
'k Was lang met u vereend in vriendschap; zwaar zal u
dit afscheid wel niet vallen. 'k Zal, daar gij dit wenscht,
met vader mij verzoenen; 'k volgde altijd uw wil.
Maar ach, een donkre nacht daalt op mijn oogen reeds.
Mijn vader, help! Uw hand! En strek mijn leden recht!

Theseus houdt zijn zoon in de armen.

THESEUS

Wee mij, mijn kind! Wat doet ge me aan, mij, armen man!

HIPPOLUTOS

Ik sterf; ja, 'k zie de poort reeds van het duistre rijk.

THESEUS

En laat ge mij hier achter, zoo met schuld bevlekt?

HIPPOLUTOS

Neen, zeker niet, want 'k spreek u vrij van dezen moord.

THESEUS

Wat zegt ge? Is het waar? Mijn misdaad scheldt gij kwijt?

HIPPOLUTOS

Boog-machtge Artemis moog mijn getuige zijn!

THESEUS

O, hoe, mijn lieveling, blijkt thans uw eedle aard!

HIPPOLUTOS

Bid, dat uw andre kinderen niet minder zijn!

THESEUS

Helaas! - Gij waart zoo vroom altijd, gij waart zoo goed!

HIPPOLUTOS

Vaarwel nu, vader! o, vaarwel, vaarwel ook gij!

THESEUS

Ach, laat mij niet alleen, mijn kind; houd vol, houd moed!

HIPPOLUTOS

't Is met mijn moed gedaan, want, vaderlief, ik sterf.
Bedek mij de oogen met een kleed zoo snel gij kunt!

Hij sterft.
De dienaren nemen de baar op en dragen die in het paleis.

THESEUS

O, staten, rijk aan roem, Athenai, en gij, land
van Pelops! Welk een man, dien gij thans missen moet!
En o, ik diep-rampzalige, hoe dikwijls nog
zal 'k denken, Kupris, aan al 't kwaad door u gesticht!

Theseus treedt het paleis binnen.

KOOR

In het heengaan.

Alle de burgers deelen dit leedgevoel,
't kwam onverwacht.
Beken van tranen zullen er ruischen,
want van de grooten sterft nimmer de faam,
noch het rouwend herdenken.

 

---------------------------------------------------------------------------------------

arrow up | pijl naar boven